Skip to content

Er was een tijd waarin cybersecurity een technische voetnoot was. Iets voor de serverruimte, voor de mensen met de zwarte schermen en de groene letters. Een kostenpost die je het liefst zo klein mogelijk hield, ergens onderaan de begroting, ver weg van de beleidstafel.

Die tijd is voorbij.

Vandaag is digitale technologie geen laag bovenop onze samenleving. Het ís onze samenleving.

Het ziekenhuis dat een operatie plant, de haven die containers verscheept, de bank die een betaling uitvoert, de gemeente die een geboorte registreert, het bedrijf dat zijn klanten bedient – alles draait op data en op de systemen die die data laten stromen. We hebben een wereld gebouwd op een digitaal fundament, een fundament dat je niet ziet, tot het barst.

Cybersecurity is daarom geen IT-onderwerp meer. Het is een basisfundament waar we allemaal onze verantwoordelijkheid in hebben.

 

Een gedeelde verantwoordelijkheid – van de keukentafel tot het kabinet

We hebben de neiging om cybersecurity te zien als een probleem dat “iemand anders” oplost. De gebruiker rekent op de IT-afdeling. De IT-afdeling rekent op zijn technologie. Het management rekent op het securityteam. En iedereen rekent een beetje op de overheid. Het gevolg is een verantwoordelijkheid die overal ligt en daardoor nergens.

De waarheid is dat digitale weerbaarheid een keten is, en dat elke schakel telt.

Het begint bij de modale gebruiker. Niet omdat mensen het zwakke punt zijn – die framing is achterhaald en oneerlijk daar het steeds moeilijker is om cyber attacks met het niet getrainde oog te spotten – maar omdat mensen de eerste verdedigingslinie zijn. De medewerker die twee keer nadenkt voor hij op een link klikt, die een vreemd verzoek van “de CEO” durft te verifiëren, die een wachtwoordmanager gebruikt: dat is geen bijzaak. Dat is frontlinie. De overgrote meerderheid van incidenten begint met een menselijke handeling, en dat betekent ook dat de overgrote meerderheid van mogelijke incidenten kan gestopt worden door mensen.

Daarboven staat het C-level. En hier ligt de grootste verschuiving van het afgelopen decennium. Cybersecurity is, mede door NIS2, een bestuursverantwoordelijkheid geworden. Een CEO hoeft geen firewall te kunnen configureren, net zomin als hij de boekhouding zelf bijhoudt. Maar net zoals hij verantwoordelijk is voor de financiële gezondheid van de organisatie, is hij verantwoordelijk voor haar digitale weerbaarheid. Risico afwegen, prioriteiten stellen, investeren in cultuur en niet alleen in technologie, en het goede voorbeeld geven – dat is leiderschap, niet techniek.

En tot slot is er de overheid. Met de Europese NIS2-richtlijn, in België sinds 18 oktober 2024 in wetgeving omgezet, is de lat fundamenteel verhoogd. “Kritische” organisaties moeten voortaan een organisatiebreed informatiebeveiligingsbeleid voeren, rollen toewijzen zoals die van Chief Information Security Officer, risicoanalyses uitvoeren en incidenten melden. De boodschap van de wetgever is helder: cybersecurity is geen private aangelegenheid meer, het is een publiek belang.

Wie relevant is in de samenleving, en er daardoor ook impact op heeft, draagt een maatschappelijke verantwoordelijkheid rond zijn digitale fundament en afhankelijkheid ervan.

De keten is pas zo sterk als haar zwakste schakel. En geen enkele schakel kan zichzelf eruit kopen. Dat is de kern: digitale weerbaarheid is geen product dat je aanschaft, het is een collectieve discipline die je samen onderhoudt.

 

De echte schade: de menselijke kost

Als we het over de impact van cyberincidenten hebben, grijpen we instinctief naar de cijfers. Miljoenen euro’s schade, dagen downtime, aantallen gelekte records. En die cijfers zijn indrukwekkend genoeg. Maar een cijfer heeft geen gezicht, en daardoor missen we het belangrijkste. Achter elk incident staan mensen. De echte schade van een cyberaanval is niet technisch of financieel. Ze is menselijk

Begin bij de patiënt. In België is de gezondheidszorg het meest geviseerde doelwit van cybercriminelen – in het tweede kwartaal van 2025 ging het om gemiddeld zo’n 2.620 aanvalspogingen per organisatie per week (1). Toen begin 2026 het Antwerpse ziekenhuis AZ Monica door ransomware werd getroffen, lag het netwerk plat en moesten consultaties en ingrepen worden uitgesteld. Zet daar even een mens bij. Iemand die wekenlang heeft toegeleefd naar een operatie, mentaal voorbereid, het werk geregeld, de familie ingelicht – en dan een telefoontje krijgt dat alles wordt afgezegd. Niet om een medische reden. Omdat een crimineel ergens een netwerk heeft gegijzeld. De onmacht van dat moment staat op geen enkele balans.

Of denk aan de mensen achter een datalek. In 2024 lekten na een aanval de medische gegevens van zo’n 50.000 Belgen (2). Vijftigduizend keer een mens die te horen krijgt dat zijn meest intieme informatie – diagnoses, behandelingen, dingen die hij misschien aan niemand had verteld – nu ergens op straat ligt, buiten zijn controle, voorgoed. Dat is geen “record” in een spreadsheet. Dat is een gevoel van schending dat blijft hangen.

En de schaal kan duizelingwekkend zijn. Toen de NotPetya-aanval in 2017 wereldwijd toesloeg, zag containerreus Maersk in één klap zijn systemen in honderden kantoren en tientallen havens uitvallen. We onthouden daar het bedrag van: zo’n driehonderd miljoen dollar afschrijving (3). Maar achter dat bedrag zaten tienduizenden medewerkers die op een ochtend voor een zwart scherm zaten en niet meer konden werken, vrachtwagenchauffeurs die voor stilgevallen terminals stonden te wachten, mensen die in volle chaos hun klanten met pen en papier probeerden te blijven bedienen. Een aanval is nooit abstract voor wie hem van binnenuit meemaakt.

Maar er is één groep die we bijna altijd vergeten, en die de zwaarste last draagt: de mensen die het moeten oplossen. De IT’er die om drie uur ‘s nachts het telefoontje krijgt. Het securityteam dat dagenlang doorwerkt, slaapt onder het bureau, en bij elke herstelde server vreest dat er nog iets sluimert. En, misschien wel het pijnlijkst, het schuldgevoel. Want bijna onvermijdelijk neemt die ene persoon het op zich. Had ik die patch sneller moeten installeren? Had ik die mail moeten zien aankomen? Is dit mijn fout? Mensen werken zichzelf letterlijk stuk om de organisatie weer recht te krijgen, terwijl ze een verantwoordelijkheid op hun schouders laden die nooit van hen alleen had mogen zijn.

En het wrange is: voor die mensen is een aanval geen uitzondering, het is de constante. De dreiging slaapt nooit – cybercriminelen houden zich niet aan kantooruren – en dus staan zij permanent paraat. Die chronische druk eist een tol die zich aftekent in de cijfers, en die cijfers zijn alarmerend. Uit recent internationaal onderzoek blijkt dat een ruime meerderheid van de securityverantwoordelijken het voorbije jaar burn-out heeft ervaren of van dichtbij heeft zien gebeuren – afhankelijk van het onderzoek ergens tussen de zestig en vijfenzeventig procent. (4) (5)

De beschermers raken op.

Nergens is die druk groter dan bij het profiel dat de eindverantwoordelijkheid draagt: de CISO, de Chief Information Security Officer. Het is een van de meest stresserende functies in het moderne bedrijfsleven geworden, en het opmerkelijke is waar die stress vandaan komt. Voor veel CISO’s is de zwaarste druk niet de aanvaller buiten de muren, maar de verwachting binnen de muren: in recent onderzoek noemt een groter aandeel de verwachtingen van de directie en de raad van bestuur als grootste stressbron dan het aandeel dat de externe dreiging aanwijst. De CISO wordt geacht alles tegen te houden, met te weinig mensen en te krappe budgetten, en draagt bij een incident vaak ook nog de persoonlijke aansprakelijkheid. Tegelijk is er een pijnlijke kloof in empathie: terwijl de overgrote meerderheid van de CISO’s wakker ligt van de burn-out binnen hun team, deelt minder dan de helft van de CEO’s diezelfde bezorgdheid. De mensen die ons beschermen, voelen zich vaak zelf onbeschermd. Een verantwoordelijke voor verschillende CISO’s binnen de overheid vertelde me recent nog: “mijn enige doel is mijn CISO’s langer dan 18 maanden in de organisatie te houden”.

En hier sluit de cirkel zich, want dit is niet alleen een menselijk drama – het is een direct bedrijfsrisico. Wanneer een securityteam uitgeput raakt, sluipen er fouten in, vertraagt de respons, en vertrekt schaars talent net op het moment dat je het het hardst nodig hebt. Uitputting aan de verdedigende kant is, met andere woorden, een geschenk aan de aanvaller. De weerbaarheid van je mensen ís de weerbaarheid van je organisatie.

En precies dáár ligt de diepere les. Als de digitale weerbaarheid van een hele organisatie kan rusten – of breken – op de schouders van één uitgeputte IT’er, dan hebben we het als geheel verkeerd georganiseerd. De menselijke kost van een aanval valt niet alleen op de slachtoffers buiten de muren, maar net zo hard op de mensen binnen de muren die hem proberen te keren. Een gezonde aanpak van cybersecurity beschermt hen evengoed: door het een gedeelde verantwoordelijkheid te maken, door voorbereid te zijn vóór de crisis in plaats van te improviseren tijdens, en door te erkennen dat veerkracht ook betekent dat geen enkele medewerker er alleen voor staat.

Want dat is uiteindelijk waar het over gaat. Een cyberaanval is geen technische gebeurtenis met een menselijk neveneffect. Het is een menselijke gebeurtenis. De systemen zijn abstract; het leed is dat niet. En het is die mensen – de patiënt, de burger, de medewerker, de collega die het probeert te herstellen – die we werkelijk beschermen wanneer we cybersecurity ernstig nemen.

 

Vlaanderen toont dat het anders kan

Tot hier zou je somber kunnen worden. Maar er is goed nieuws, en dat goede nieuws ligt dichtbij. Want als het over digitale weerbaarheid gaat, doet ons land het opvallend goed – en Vlaanderen speelt daarin een hoofdrol.

In de internationale ranglijsten die de cyberweerbaarheid van landen meten, behoort België consequent tot de Europese top (6).

Wat de échte koplopers onderscheidt, is trouwens niet hun budget of hun supercomputers. Het is hun organisatie. De landen die bovenaan staan, behandelen cybersecurity als een vorm van collectieve hygiëne: duidelijke verantwoordelijkheden, voorspelbare financiering, en een overheid die richting geeft zonder alles dicht te timmeren. Het Belgische Centrum voor Cybersecurity vatte dat mooi samen met zijn CyberFundamentals-framework: een set concrete, vrij beschikbare maatregelen waarvan de basisniveaus al een ruime meerderheid van de meest voorkomende aanvallen afweren. Geen abstracte regelgeving, maar werkbare houvast.

De les is hoopvol: weerbaarheid is maakbaar. Het is een kwestie van organiseren, samenwerken en volhouden – en daar zijn we in Vlaanderen verrassend goed in.

 

Shield vzw: weerbaarheid die opborrelt uit de sector zelf

Nergens wordt dat zichtbaarder dan in een initiatief als Shield vzw. Het is, wat ons betreft, een schoolvoorbeeld van hoe je het aanpakt.

Het verhaal begint niet in een ministerie, maar in Limburg. Drie instellingen – het Jessa Ziekenhuis, het Ziekenhuis Oost-Limburg en de Universiteit Hasselt – kwamen tot dezelfde vaststelling: de investeringen die cybersecurity vraagt zijn enorm, en het is bijzonder moeilijk om de juiste expertise te vinden. Apart vechten ze elk een verloren strijd. Samen staan ze sterk. Dus besloten ze hun krachten te bundelen, niet alleen voor zichzelf, maar voor de hele sector. Zo ontstond Shield: een non-profit die ziekenhuizen, zorginstellingen en instellingen voor hoger onderwijs helpt om op een economische, pragmatische en toch substantiële manier hun cyberweerbaarheid te verhogen.

De aanpak is bewust bottom-up. Shield is een community: leden en experts zoeken samen naar de beste oplossingen, delen kennis, en de organisatie neemt de administratieve rompslomp over door onder andere op te treden als gezamenlijke aankoopcentrale. Wie alleen nooit een sterk securitycontract zou kunnen onderhandelen, krijgt via de groep toegang tot kwalitatieve diensten aan een betaalbare prijs. Vandaag zijn er al +100 instellingen aangesloten, verspreid over het land.

En hier zit het mooiste detail. Shield wordt gesteund door de overheid – verschillende projecten worden gefinancierd door de FOD Volksgezondheid – maar het is niet opgelegd door de overheid. Het initiatief heeft zijn wortels in de sector zelf. Het is ontstaan uit de noden van de mensen op de werkvloer, niet uit een decreet. De overheid speelt hier de rol die ze op haar best speelt: niet die van controleur die regels dicteert, maar die van bondgenoot die een goed idee versterkt en laat opschalen.

Dat is precies het evenwicht waar we naar moeten streven. Niet de overheid tegenover de sector, maar de overheid náást de sector. Niet weerbaarheid die van bovenaf wordt afgedwongen, maar weerbaarheid die van onderuit opborrelt en van bovenaf wordt aangemoedigd. Shield bewijst dat het kan – en dat het werkt. Het is de collectieve verantwoordelijkheid uit het vorige hoofdstuk, vertaald naar de praktijk.

 

Van kostenpost naar concurrentievoordeel

Hier komt de wending die te weinig bestuurders maken: de juiste aanpak van cybersecurity is geen verzekeringspremie die je betaalt om iets te vermijden. Het is een investering die je business actief sterker maakt.

Keer nog één keer terug naar Maersk. Het bedrijf werd hard geraakt, maar het verhaal eindigt niet bij de schade. In de chaos hielden medewerkers de dienstverlening overeind met handmatige processen, herbouwde het bedrijf zijn IT van de grond af, en – cruciaal – werd cybersecurity er een onderwerp aan de bestuurstafel. Wat een catastrofe was, werd een katalysator voor weerbaarheid. Maersk kwam er sterker uit, met een organisatie die wist hoe ze een crisis kon overleven. Dat is het verschil tussen een slachtoffer en een leider: niet de afwezigheid van risico, maar het vermogen om te herstellen.

Die weerbaarheid vertaalt zich rechtstreeks in commerciële waarde. Drie voorbeelden uit de praktijk:

Vertrouwen wint contracten. In B2B-relaties is security allang een aankoopcriterium. Wie een ISO 27001-certificering kan voorleggen, wie aantoonbaar NIS2-conform is, wie een serieus securityverhaal heeft, komt door de leverancierscreening waar concurrenten op afhaken. Beveiliging is een verkoopargument geworden. Klanten kopen geen risico.

Weerbaarheid verlaagt de kost van een incident. Uit internationaal onderzoek blijkt al jaren hetzelfde patroon: organisaties die een incident snel detecteren en beheersen, betalen een fractie van wat trage, onvoorbereide organisaties betalen. De gemiddelde kost van een datalek schommelt rond de 4,4 miljoen dollar (7) – maar dat gemiddelde verbergt een enorme kloof tussen wie voorbereid was en wie niet. Voorbereiding is geen kost; het is de grootste besparing die je nooit op je balans ziet.

Security versnelt innovatie in plaats van ze te remmen. Een organisatie die haar digitale fundament op orde heeft, durft sneller te innoveren. Ze kan nieuwe technologie omarmen, data delen met partners, naar de cloud, omdat ze weet dat ze het veilig kan doen. Goede security is geen rem op transformatie. Het zijn de remmen die je toelaten om sneller te rijden.

De vraag voor het bestuur is dus niet “hoeveel kost cybersecurity ons?”. De vraag is: “hoeveel groei, hoeveel vertrouwen, hoeveel veerkracht levert het ons op?”

 

Elke nieuwe technologie opent een nieuwe deur

Er is een patroon dat zich door de hele digitale geschiedenis trekt, en wie het herkent, begrijpt de toekomst beter dan wie naar de laatste dreiging staart. Elke technologische sprong die ons sterker maakt, opent tegelijk een nieuwe deur voor wie ons wil schaden. Innovatie en kwetsbaarheid zijn een tweeling.

Denk aan de plotse overgang naar thuiswerken tijdens de coronapandemie. In enkele weken verhuisde de halve beroepsbevolking naar de keukentafel, achter privénetwerken en privélaptops, buiten de beschermde muren van het bedrijfsnetwerk. De productiviteit werd gered – maar de aanvalsoppervlakte explodeerde. Phishingaanvallen schoten tijdens die periode met honderden procenten de hoogte in. Een geweldige innovatie in hoe we werken, met een geheel nieuwe categorie risico’s in haar kielzog.

En nu staan we voor de grootste sprong van allemaal: artificiële intelligentie.

AI is op termijn een buitengewone kracht ten goede, ook voor wie verdedigt. Maar we moeten eerlijk zijn over de volgorde, want die is ongemakkelijk: voor heel wat bedrijven wordt AI op korte termijn eerst een liability voordat het een troef wordt. De technologie ligt vandaag al in handen van aanvallers, en zij plukken er sneller de vruchten van dan de gemiddelde organisatie haar verdediging kan bijstellen. Het speelveld kantelt, en het kantelt voorlopig de verkeerde kant op.

En hier moeten we een hardnekkig misverstand rechtzetten. De grootste dreiging van AI is niet dat ze een heleboel volstrekt nieuwe aanvalswegen opent. De methodes blijven grotendeels dezelfde als voorheen: phishing, gestolen of zwakke wachtwoorden, ongepatchte software. Beveiligingsonderzoekers wijzen er zelfs op dat de aanvallers niet plots slimmer of geraffineerder zijn geworden – het is een versnelling van bestaande methodes, geen nieuwe soort aanval. Wat fundamenteel verandert, is dus niet het wat, maar het tempo. AI comprimeert elke stap van een aanval: een doelwit verkennen, een kwetsbaarheid vinden, er werkende aanvalscode voor schrijven, en toeslaan – werk dat vroeger dagen of weken kostte, gebeurt nu in minuten, en op grote schaal tegelijk.

De cijfers zijn ontnuchterend. Waar er in 2020 gemiddeld nog meer dan zevenhonderd dagen zaten tussen het bekend worden van een kwetsbaarheid en het eerste misbruik ervan, is dat venster in 2025 gekrompen tot gemiddeld een veertigtal dagen (8) – en voor de meest kritieke lekken tot dagen of zelfs uren. Onderzoekers stellen intussen vast dat een aanzienlijk deel van de zwaarste kwetsbaarheden al wordt uitgebuit op of zelfs vóór de dag waarop ze publiek bekend raken. De aanvaller is, kortom, sneller geworden dan de verdediger kan bijbenen. En dat is geen kwestie van toeval of pech, maar van geautomatiseerde, machinale snelheid.

En dat heeft één genadeloze consequentie, die elke bestuurder zich vandaag moet aantrekken. Bedrijven die hun basishygiëne niet op orde hebben, zullen veel sneller tegen de lamp lopen dan vroeger. Systemen die niet tijdig worden bijgewerkt, accounts zonder meervoudige authenticatie, een onvolledig zicht op wat er allemaal aan het netwerk hangt – dat waren altijd al risico’s, maar het waren risico’s met speling. Vroeger kon je met achterstallig onderhoud nog een hele tijd onopgemerkt wegkomen; het duurde maanden eer iemand het gat vond en uitbuitte. Die marge is verdampt. Wie een bekend lek vandaag niet binnen enkele dagen dicht, mag ervan uitgaan dat het tegen dan al wordt afgetast. De klassieke waarschuwing van Equifax – een datalek dat ontstond omdat een beschikbare patch te laat werd geïnstalleerd – speelt zich nu af in een fractie van de tijd.

Maar precies daar zit ook het hoopvolle nieuws. De overgrote meerderheid van deze geautomatiseerde aanvallen mikt op het laaghangende fruit: de bekende, ongedichte gaten. Wie zijn fundamenten wél op orde heeft – patchen, sterke authenticatie, zicht op de eigen omgeving – valt buiten het bereik van het gros van die aanvallen. De lat hoeft niet perfect te liggen; ze moet hoger liggen dan die van de buurman die het niet deed. Basishygiëne is in het AI-tijdperk geen detail meer voor de IT-afdeling. Het is bestuurlijke prioriteit nummer één.

Zo bekeken herhaalt het patroon zich, maar met een veelzeggende wending. Thuiswerk, cloud, mobiele toestellen, het internet der dingen – elke golf voegde vooral nieuwe deuren toe aan het gebouw. AI doet iets anders: het verandert niet zozeer het aantal deuren, maar de snelheid waarmee ze worden uitgeprobeerd en ingetrapt. De les blijft in essentie dezelfde, alleen dringender dan ooit: elke technologische sprong vraagt een nieuw, en nu vooral een sneller, antwoord op het vlak van weerbaarheid.

En precies daarom is cybersecurity geen project met een einddatum. Het is een doorlopende discipline, een wedloop die nooit “af” is. De organisaties die floreren, zijn niet die welke ooit een keer “veilig” werden verklaard. Het zijn die welke zich blijven aanpassen, net zo snel als de wereld om hen heen verandert.

Tot slot: weerbaarheid is een keuze, geen toestand

We zijn begonnen met een beeld: cybersecurity als het fundament van onze maatschappij. Een fundament dat je niet ziet, tot het barst. De boodschap van dit stuk is dat we het ons niet langer kunnen veroorloven om pas naar het fundament te kijken wanneer de scheuren zichtbaar worden.

Digitale weerbaarheid is een gedeelde verantwoordelijkheid – van de keukentafel tot het kabinet. Ze beschermt niet alleen systemen, maar het vertrouwen waarop onze hele economie rust. Ze is geen kostenpost maar een bron van concurrentievoordeel. En ze is nooit af, omdat elke nieuwe technologie een nieuwe uitdaging meebrengt.

De goede bedrijven streven niet naar perfecte veiligheid; die bestaat niet. Ze streven naar veerkracht: het vermogen om een klap op te vangen en sneller dan wie ook weer recht te staan. Dat is geen technische keuze. Het is een leiderschapskeuze.

De toekomst zal niet toebehoren aan wie nooit wordt aangevallen. Ze zal toebehoren aan wie voorbereid is.

En voorbereiding begint vandaag.

 

Waar te beginnen?

De vraag die bestuurders stellen – terecht – is: waar beginnen we? Hieronder drie maatregelen die samen de basis vormen van wat het Centrum voor Cybersecurity Belgie omschrijft als basishygiene. Wie deze drie beheerst, elimineert het overgrote deel van geautomatiseerde aanvallen. Want die mikken per definitie op het laaghangende fruit – en dat wordt gevonden bij de organisatie die dit niet heeft gedaan.

Maatregel 1 – Multi-factor authenticatie op alle externe toegang

Gestolen of zwakke wachtwoorden blijven de meest voorkomende initiële toegangsweg bij succesvolle aanvallen. Multi-factor authenticatie – een tweede verificatiestap naast het wachtwoord, via een app, een token of een sms – elimineert het overgrote deel van die aanvallen in één maatregel. Het is technisch niet complex en relatief goedkoop in te voeren. Toch ontbreekt het bij een verrassend groot deel van de Belgische organisaties nog steeds op alle externe toegangspunten.

De prioriteitsvolgorde is duidelijk: begin met alle externe toegang – VPN, e-mail, cloudtoepassingen – en zorg daarna dat ook interne bevoorrechte accounts beschermd zijn. Een systeembeheerder zonder MFA is een open deur voor wie eenmaal binnen is.

 

Maatregel 2 – Zichtbaarheid op de eigen omgeving

Je kan niet beschermen wat je niet kent. Na jaren van cloudadoptie, thuiswerk en groeiende IoT-omgevingen hebben veel organisaties geen volledig beeld meer van welke systemen, toestellen en accounts aan hun netwerk hangen. Zonder dat overzicht zijn patching en authenticatie per definitie onvolledig – want je patch wat je kent, en je beveiligt wat je ziet.

Concreet betekent dit: een actuele en onderhouden inventaris van alle activa, aangevuld met basismonitoring die afwijkend gedrag signaleert. Niet elke organisatie heeft een volledig 24×7 Security Operations Center nodig – maar elke organisatie heeft minimaal zicht nodig op wat er in haar omgeving beweegt. Wat je niet ziet, kan je niet stoppen.

Maatregel 3 – Back-up en herstelcapaciteit, getest en offline

Geen enkele organisatie stopt elke aanval. De vraag is niet of er ooit iets misgaat, maar wat er dan gebeurt. Een back-up die nooit is getest, is geen back-up – het is een aanname. Ransomware-groepen weten dit: een van de eerste acties na infiltratie is het opsporen en versleutelen of verwijderen van back-ups die via het netwerk bereikbaar zijn. Wie zijn back-ups niet offline of air-gapped bewaart, verliest ze bij precies het incident waarvoor ze bedoeld waren.

Drie concrete vereisten waaraan een back-up moet voldoen om te tellen. Ten eerste: offline of onbereikbaar vanuit het productieNetwerk. Ten tweede: regelmatig getest op effectief herstel – niet op schrijven, maar op lezen en terugzetten in een realistische tijdspanne. Ten derde: een gedocumenteerd herstelproces met een gekende Recovery Time Objective, zodat bij een incident iedereen weet wie wat doet en hoe lang het duurt.

Deze drie maatregelen zijn niet het eindpunt van een volwassen cybersecurityprogramma. Ze zijn het beginpunt. Wie ze niet op orde heeft, mag geen hogere ambities koesteren – want het fundament ontbreekt. Wie ze wel op orde heeft, staat sterk om al het laaghangende fruit weg te nemen en zich te richten op wat daarna komt.

 

Dit artikel werd geschreven door Jo Vander Schueren – CEO Jarviss. Bij de research, bronverificatie en redactie werd gebruik gemaakt van Claude (Anthropic).

Bronnen